Zeven kilometer is het maar
Zeven kilometer is het maar, bedenk ik me ineens. Zeven kilometer van het stadje waar ik opgroeide. Dertig jaar geleden ging ik er weg, mijn ouders slechts een paar jaar later. Vrienden had ik er allang niet meer. Slechts een paar keer heb ik het in die dertig jaar nog gezien en nu zit ik ineens zeven kilometer verderop te eten. Ook op bekende grond. Met mijn kleine beentjes trapte ik op mijn rode fietsje tot ik oververhit bij het zwembad aankwam, om de hoek van waar ik nu zit. We kochten er zuurtjes in de vorm van kersen, lagen er op onze grote handdoek te bakken in de zon, mijn zus en ik. Warm geworden sprongen we in het ijskoude water van het diepe bad. Waterratten waren we, zei moeder vaak.
Wanneer we bij het restaurant vandaan rijden stel ik voor nog even te gaan kijken. In het donker rijden we door mijn oude straat. De zonnewijzer, in elkaar gelast door mijn opa, staat nog steeds midden op het gras in de voortuin. Van bijna alle huizen kan ik nog noemen wie er dertig jaar geleden woonden. Het weiland erachter is er nog steeds. Van de rij woningen waar ik ooit over hoorde is zo te zien geen sprake meer. Mais staat er nu. Gras was er toen ik nog klein was. In het hoge gras bouwden we huizen en kastelen door het plat te rollen met onze kleine lijfjes. We kropen een pad naar een volgende kamer en zo ontstond ons speeldorp. Voor ieder kind een eigen ruimte in het gras.
De oude basisschool staat er nog steeds. Onverwoestbaar. De knusse kleuterschool ernaast is onherkenbaar verbouwd; de kleuters zijn in de basisschool getrokken toen het onderwijs hervormd werd. Maar het schokkendst is het grote gat waar ooit ons bos stond. Spokenbos noemden we het. Hoge bomen met een paar prima klimbomen, onderin struikgewas waarin je je kon verstoppen. Er liepen twee paden doorheen. Groot was het niet, maar groot genoeg voor onze avonturen als ridders en soldaten. De rechthoek van het vroegere bos is nu bedekt met kortgemaaid gras. Uit het donker loopt ons een man tegemoet. Zijn hond trekt aan de uitrollijn, maar dichterbij dan twee meter kan hij niet komen. Onze hond liep nooit aan een lijn. Ja, het zandpad ligt er nog, beaamt de man. Verderop is het geasfalteerd, tot aan die boerderijen, wijst hij. Die stonden er nog niet toen ik er woonde. Alleen twee boerderijen aan de dijk achterin. Een rechtsaf en eentje links. Een kleine. Die staan er nog, weet hij. En in die kleine wonen nog steeds dezelfde mensen, nu in de tachtig, vertelt hij. Nog steeds in dezelfde gribus. Goddank, sommige dingen veranderen nooit.
We stappen in en vertrekken. Twee minuten later ligt het stadje achter ons.
Wanneer we bij het restaurant vandaan rijden stel ik voor nog even te gaan kijken. In het donker rijden we door mijn oude straat. De zonnewijzer, in elkaar gelast door mijn opa, staat nog steeds midden op het gras in de voortuin. Van bijna alle huizen kan ik nog noemen wie er dertig jaar geleden woonden. Het weiland erachter is er nog steeds. Van de rij woningen waar ik ooit over hoorde is zo te zien geen sprake meer. Mais staat er nu. Gras was er toen ik nog klein was. In het hoge gras bouwden we huizen en kastelen door het plat te rollen met onze kleine lijfjes. We kropen een pad naar een volgende kamer en zo ontstond ons speeldorp. Voor ieder kind een eigen ruimte in het gras.
De oude basisschool staat er nog steeds. Onverwoestbaar. De knusse kleuterschool ernaast is onherkenbaar verbouwd; de kleuters zijn in de basisschool getrokken toen het onderwijs hervormd werd. Maar het schokkendst is het grote gat waar ooit ons bos stond. Spokenbos noemden we het. Hoge bomen met een paar prima klimbomen, onderin struikgewas waarin je je kon verstoppen. Er liepen twee paden doorheen. Groot was het niet, maar groot genoeg voor onze avonturen als ridders en soldaten. De rechthoek van het vroegere bos is nu bedekt met kortgemaaid gras. Uit het donker loopt ons een man tegemoet. Zijn hond trekt aan de uitrollijn, maar dichterbij dan twee meter kan hij niet komen. Onze hond liep nooit aan een lijn. Ja, het zandpad ligt er nog, beaamt de man. Verderop is het geasfalteerd, tot aan die boerderijen, wijst hij. Die stonden er nog niet toen ik er woonde. Alleen twee boerderijen aan de dijk achterin. Een rechtsaf en eentje links. Een kleine. Die staan er nog, weet hij. En in die kleine wonen nog steeds dezelfde mensen, nu in de tachtig, vertelt hij. Nog steeds in dezelfde gribus. Goddank, sommige dingen veranderen nooit.
We stappen in en vertrekken. Twee minuten later ligt het stadje achter ons.
Reacties
Een reactie posten