20 juli 2001
Een vol huis is het vandaag. Vrienden, familie, iedereen is er, behalve David en ik. Wij zijn vorige week al geweest, op weg naar de boot naar Engeland. We hebben friet gebakken. Of beter: ik heb friet en kroketten gebakken in jouw nieuwe frietpan. Met zijn drieën hebben we het opgegeten aan je ronde tafel. Vol trots liet je je nieuwe stoel zien. “Een trippelstoel”, vertelde je. Eentje waarin je kunt blijven zitten terwijl je loopt. Handig, want lopen kun je steeds moeilijker. Na het afscheid reden David en ik naar de haven. Met de nachtboot voeren we over.
Maar vandaag is het druk. Eén vriendin kan niet ’s middags komen en staat daarom ’s ochtends al op de stoep. Dat hebben jullie afgesproken, jij zit er al bij als een echte Jarige Jet. De vriendin heeft een taart met kaarsjes en een fototoestel bij. Terwijl jij de 39 kaarsjes uit probeert te blazen, maakt zij foto’s. Ik zal ze over een paar weken krijgen.
Je hebt een zere hand, maar dat mag de pret niet drukken. Zoveel bezoek op je verjaardag komt zelden voor. Als je midden in de zomer jarig bent, is nou eenmaal meestal een groot deel van je bekenden op vakantie. Gek genoeg dit jaar bijna niemand. Alleen David en ik lopen door het regenachtige Wales.
Volgende week zal je mij bellen. Vreemd, niet op mijn verjaardag, maar de dag ervoor. En nog vreemder: altijd zing je “lang zal ze leven”, behalve deze keer. Je laat geen bericht achter op mijn antwoordapparaat. Ik zal pas weken later zien dat je mij gebeld hebt, zelfs twee keer die avond, wanneer ik jouw telefoonrekening krijg. Diezelfde nacht komt de ambulance je halen. De laatste keer dat je je eigen huis ziet, het heerlijke huis waar je zo blij mee bent.
Mijn verjaardag vier ik in de buurt van Oxford, met vrienden op de camping. Het is een stralende dag, we drinken thee, eten taart en spelen op het water bij de camping. De volgende dag reizen David en ik verder. Kort voor we Engeland verlaten krijg ik bericht dat jij in het ziekenhuis ligt. Ik vraag of we naar huis moeten komen, maar dat hoeft niet.
Wanneer we anderhalve week later alsnog thuiskomen, heb jij inmiddels op de intensive care gelegen. We bezoeken je in het ziekenhuis. Ik borstel je haar en verschoon je bed. Ik neem je wasgoed met me mee, met de belofte dat ik het de volgende dag schoon gevouwen weer mee zal nemen. Het is de laatste keer dat ik je spreek, woensdag 8 augustus. Bij de deur draai ik me nog om. Jij zwaait tot we uit het zicht zijn. De volgende dag slaap je diep als ik de was kom brengen. Terwijl ik de kamer uitloop, voel ik het ineens, al dringt de reikwijdte nog niet tot me door. Als ik je een paar dagen later weer zie, ben je diep in coma.
Exact één maand na jouw negenendertigste verjaardag is iedereen weer bij elkaar. Ook David en ik zijn er nu. Het is de aller-, aller-, allerlaatste keer dat ik je zie. Samen met de anderen schroef ik de deksel vast. Ik loop vooraan in de stoet, achter jou.
Als kind dacht ik altijd dat je nooit veertig zou worden. Maar ik heb nooit gewild dat het waar werd.
Maar vandaag is het druk. Eén vriendin kan niet ’s middags komen en staat daarom ’s ochtends al op de stoep. Dat hebben jullie afgesproken, jij zit er al bij als een echte Jarige Jet. De vriendin heeft een taart met kaarsjes en een fototoestel bij. Terwijl jij de 39 kaarsjes uit probeert te blazen, maakt zij foto’s. Ik zal ze over een paar weken krijgen.
Je hebt een zere hand, maar dat mag de pret niet drukken. Zoveel bezoek op je verjaardag komt zelden voor. Als je midden in de zomer jarig bent, is nou eenmaal meestal een groot deel van je bekenden op vakantie. Gek genoeg dit jaar bijna niemand. Alleen David en ik lopen door het regenachtige Wales.
Volgende week zal je mij bellen. Vreemd, niet op mijn verjaardag, maar de dag ervoor. En nog vreemder: altijd zing je “lang zal ze leven”, behalve deze keer. Je laat geen bericht achter op mijn antwoordapparaat. Ik zal pas weken later zien dat je mij gebeld hebt, zelfs twee keer die avond, wanneer ik jouw telefoonrekening krijg. Diezelfde nacht komt de ambulance je halen. De laatste keer dat je je eigen huis ziet, het heerlijke huis waar je zo blij mee bent.
Mijn verjaardag vier ik in de buurt van Oxford, met vrienden op de camping. Het is een stralende dag, we drinken thee, eten taart en spelen op het water bij de camping. De volgende dag reizen David en ik verder. Kort voor we Engeland verlaten krijg ik bericht dat jij in het ziekenhuis ligt. Ik vraag of we naar huis moeten komen, maar dat hoeft niet.
Wanneer we anderhalve week later alsnog thuiskomen, heb jij inmiddels op de intensive care gelegen. We bezoeken je in het ziekenhuis. Ik borstel je haar en verschoon je bed. Ik neem je wasgoed met me mee, met de belofte dat ik het de volgende dag schoon gevouwen weer mee zal nemen. Het is de laatste keer dat ik je spreek, woensdag 8 augustus. Bij de deur draai ik me nog om. Jij zwaait tot we uit het zicht zijn. De volgende dag slaap je diep als ik de was kom brengen. Terwijl ik de kamer uitloop, voel ik het ineens, al dringt de reikwijdte nog niet tot me door. Als ik je een paar dagen later weer zie, ben je diep in coma.
Exact één maand na jouw negenendertigste verjaardag is iedereen weer bij elkaar. Ook David en ik zijn er nu. Het is de aller-, aller-, allerlaatste keer dat ik je zie. Samen met de anderen schroef ik de deksel vast. Ik loop vooraan in de stoet, achter jou.
Als kind dacht ik altijd dat je nooit veertig zou worden. Maar ik heb nooit gewild dat het waar werd.
Dank je wel lieve Ita!
BeantwoordenVerwijderenBoudewijn
Ik ben er stil van. Mooi geschreven, Ita.
BeantwoordenVerwijderenxxx